Bij aankomst in Nederland gaan de meeste gastarbeiders in kosthuizen of pensions wonen. Die staan hoofdzakelijk in de oude binnenstad van Utrecht en de wijken Vogelenbuurt, Wittevrouwen en Pijlsweerd. Sommige pensions zijn overvol en smerig. Om het gezin over te laten komen, moet men zelf een huis kopen, vaak in de oude buurten Lombok en Pijlsweerd, waar de Nederlanders wegtrekken. Mede door acties van de migrantenraad kan men later ook huren via gemeentehuisvesting.
Ook het Nomadenkomitee zet zich in voor betere huisvesting van de buitenlanders. Dit gebeurt vooral in de jaren zeventig.
In de tachtiger jaren trekken de buitenlanders vooral naar Zuilen, Ondiep, Hooggraven en Rivierenwijk. Sommige buurtbewoners zijn daar niet blij mee en starten protestacties tegen de komst van de buitenlanders. Zij voelen zich op visite in hun eigen buurt en geven de buitenlanders de schuld van de spanningen in hun wijk. Later, in de negentiger jaren trekken veel gezinnen naar Kanaleneiland en Overvecht. Daar staan naoorlogse flats die erg in trek zijn, ook wordt er veel gebruik gemaakt van sociale huurwoningen. In Overvecht zijn de woningen ruimer en nieuwer, en dus is er een stukje verbetering.
Lombok is nu een populaire en levendige wijk geworden. Kanaleneiland kent wel 40 nationaliteiten en het is een onrustige wijk. De toenmalige minister Ella Vogelaar nam in 2007 de wijk op in de lijst van Nederlandse probleemwijken, ook wel 'Vogelaarwijken' genoemd.
Emilio Esposito is een van de eerste Italiaanse gastarbeiders die
50 jaar geleden aan de flats in Overvecht heeft gewerkt.